Home » Europa » Hongarije 2012

Hongarije 2012

Nederland - Hongarije, 7 november

Het is kwart voor zes als we opstijgen. De zon is inmiddels onder gegaan maar boven de lichte bewolking uit gevlogen, is er nog een roze gloed zichtbaar als bewijs dat de zon er echt is geweest vandaag. De lichtjes op het land fonkelen en de vinex wijken worden keurig omsloten door de lantaarnpalen. Eindhoven mag met recht de 'lichtstad' worden genoemd. Al zal deze conclusie rond dit avonduur voor meerdere steden opgaan. De vlucht is ingezet naar de hoofdstad van Hongarije die door een conterminatie van drie steden voor het gemak maar Boeda-Pest is genoemd.

Na een dutje te hebben gedaan, zet de piloot de landing al snel in. Mijn vooruit geboekte transferbusje staat al netjes te wachten. Twee andere gasten komen niet opdagen of konden de ontmoetingsplaats niet vinden (deze was ook niet heel duidelijk aangegeven). Voordeel is dat de chauffeur me voor mijn verblijf af zet, het Astoria CH. Gelegen centraal in Pest met werelds ena grootste synagoge in de achtertuin. Ik word bijzonder vriendelijk ontvangen en zie bijna een verheugde blik van de gastheer als ik zeg dat ik maar liefst 7 nachtjes blijf. Het word gewaardeerd dat er meer tijd word genomen om de stad te ontdekken. Nu zal het me ook een raadsel zijn hoe mensen dat in twee dagen kunnen doen. Ik heb al vier wandeltours gevonden, er zijn drie musea aangeprijsd en dat is exclusief de tours die in het parlements gebouw en de kathedraal te volgen zijn. In Buda is er het kasteel, de citadel en hét uitzicht over Pest en in Pest is er de overdekte markt (getekend door Eiffel), de winkelstraat, het park, het Heldenplein, een gangelstelsel onder de stad, het eiland in de Donau, een boottocht over dezelfde rivier én de badhuizen. Die laatste moet je dus gedaan hebben als je in de stad bent..

Na een half uur heel aandachtig te hebben geluisterd, de gastvrijheid op me heb laten inwerken en bij de gratis pannekoeken voor/door de gasten te zijn aangeschoven, maak ik nog een kopje thee voor het naar bed gaan. Ik vind het al een prima begin!

Boedapest (Unesco), 8 november

Stadstour | centrum | Burchtwijk | joodse wijk wandeltour

Om half elf meld ik me op het Vörösmarty plein waar mijn eerste stadstour begint. Er staan al drie jonge mensen op de droge fontein, om de bijeengekomen nieuwsschierige toeristen te enhousiasmeren voor de route. Ik mag mee met een meisje met een paarse panty en kleurige beenwarmers. Ze verteld haar verhaal met gedoseerde humor, al valt dat de rest van de groep niet altijd op. Dat kan ook zijn doordat ze met een spervuur van woorden zo snel en zoveel mogelijk wil vertellen over haar stad. We wandelen over het Elisabeth plein (hier Erzsébet geschreven) met een vijver wat het dak van de 'Aquarium club' blijkt te zijn. Mijn nieuwschierigheid word gewekt en het kan zijn dat ik één dezer dagen daar onder de grond maar eens een kijkje moet gaan nemen. Als we langs de St. Stefan of István (geboren in 975) kathedraal cq basiliek lopen, krijgen we de vreemde informatie dat de meest gewaardeerde en geëerde inwoner en koning van Hongarije gedeeltelijk nog aanwezig is. Koning Stefan zijn afgehakte onderarm ligt namelijk gemummificeerd in de kerk. Als dit al niet onsmakelijk is, worden we kort daarna geïntroduceerd in de gebruiken van het land; namelijk het eten van varkens met een vachtje, bloed,- en leverworst, alles met paprika  en veel goulash in soepvorm. Voor vegetariërs, is er echter weinig rekening gehouden in de oost Europese keuken. De Túró Rudi, een ijsje van chocolade omhulsel gevuld met kwark word met veel bijgeluiden gebracht alsof het de eerste suiker sensatie van het millenium is.

Trots op hun keuken zijn ze maar ze zomeer nog trotser op de 14 Nobelprijzen die door Hongaren of Hongaarse afstammelingen zijn gewonnen. En dan nog maar te zwijgen van de uitvindingen (oa de gekleurde Rubiks kubus, de balpen (van Bíró), het ontdekken van vitamine C en de beginselen van de pc). Andere namen om trots op te zijn: Harry Houdini, Zsa Zsa Gabor, Franz Liszt, Adolph Zukor (stichtte Paramount pictures), Vilmos Fried alias William Fox (stichtte Fox studio's), Jonny Weismuller oftewel de eerste Tarzan op doek en afstammelingen: Tony Curtis, Jamie Lee Curtis, Rachel Weisz, Drew Barrymore, de gebroeders Knopfler, Uri Geller, Calvin Klein, Estée Lauder, Jerry Seinfeld, Alanis Morisette, Paul Newman, Debra Winger, Joseph Pullitzer, Monica Seles, Martina Hingis, Paul Simon, Adrien Brody, Goldy Hawn enz etc. Dat het landje van 10 miljoen inwoners heel wat grootheden heeft voorgebracht moge duidelijk zijn.

Onder het juk van de communisten, Hongarije is in de tweede Wereldoorlog door de Russen bevrijd maar die zijn echter nooit weggegaan, heeft het land lang stil gestaan. Het is pas in de jaren 90 tot bloei gekomen. In 1989 toen de muur in Berlijn omging, werd ook hier de democratie ingevoerd. Langzaam maar heel zeker verwordt Budapest en de rest van Hongarije tot een westers Europees land. Sinds 2004 zijn ze dan ook bij de Europese unie aangesloten maar hebben geen euro (ivm de lage economische waarde) Een geluk voor hen, zou je zeggen..  We wandelen met de groep de allerbekenst brug van de stad over; de ketting (Széchenyi)brug. De brug verbind de twee stadsdelen en bied een (zacht uitgedrukt) fantastisch uitzicht over de Donau en beide zijde van de stadsoevers. Het weer speelt daar zijn part in mee, want het is zo'n 14 graden mét zon en een straalblauwe lucht.

We beklimmen de oude trappen die vol liggen met goud gekleurde herfstbladeren, naar het koninklijk paleis. Vanaf de hoge heuvels van Buda (Boeda), kijken we over het vlakke land van Pest waar een bijna kopie staat van de West Minister Abbey in Londen. Het parlementsgebouw is 'groot'. De stad valt onder Unesco toezicht en daarin staat vermeld dat er geen hoogbouw, hoger dan de St. Stefan basiliek en het parlementsgebouw (beide precies even hoog) mag worden gebouwd. Dat resulteert in een uitzicht zover het oog reikt en de torens van de synagoge, kerken en belangrijke gebouwen volledig tot hun recht komen. Het eigen 'vrouwe vrijheidsbeeld' van de stad staat op de heuvel 'Gellért' verderop. Een dame in een luchtige jurk houd een zegepalm in beide handen boven haar hoofd. De burchtwijk, een samenvatting van het gedeelte op de Buda heuvels houd het paleis, het werkpaleis van de president, woningen en de bekende Matthias kerk in. De Matthias kerk heeft een opvallend vrolijk pannenwerk wat aan een kleurig mozaïek doet denken. De tour houd hier op en met de camera in de hand, loop ik sola naar het 'vissers bastion' wat een nog mogelijk, mooier dan eerder gezien, uitzicht bied over de rivier, Pest en het Margit eiland wat in de Donau ligt. Het bastion is een zicht locatie. Gebouwd met een beschermfunctie voor de kerk. Omdat het richting het water ligt (het is een paar honderd meter van en boven het water) moesten de vissers van de rivier het bastion bevolken in tijden van verzet. Het geheel is neoromaans en met een zuilengang, torentjes en op het binnenplein een mooi standbeeld van St. Stefan te paard, is het een panoramisch cq fotogeniek geheel. Ik daal de trappen af, ontwijk wat auto's en één van de gele trams die er rijden. (Dit is trouwens de eerste tramlijn op het continent) Alleen London was eerder met het bouwen van een route) en steek de kettingbrug weer over.

Met een korte stop voor een koffie en een zoete lunch, zorg ik dat ik om half drie wederom bij de droge fontein op het Vörösmarty plein sta voor de tweede tour van vandaag; de joodse wijk wandeling. Dit keer een mannelijke gids met lang haar wat is weggestopt onder een hoedje. Als mensen mij een joodse tour geven, vraag ik me automatisch af of ze dan zelf ook de joodse geloofsovertuiging hebben. Vragen doe ik niet, je vraagt ook geen blanke of die een christen is.

We staan stil bij een gedenksteen van de tweede Wereldoorlog bij het Deák station. Hier word herdacht hoe een monnik joodse kinderen in het grottenstelsel van de Boeda heuvels voor de nazi's verstopte. We krijgen uitleg over de een na grootste synagoge van de wereld (de grootste is in NY). Vooral de architectuur is anders dan de standaard gegevens waar een synagoge naar worden gebouwd. Zo staan er 2 torens, minaretten kan je wel zeggen, op het dak. Veel sterren die zijn weggewerkt in de gevel, hebben niet de zes punten van de David ster maar hebben er acht naar oud Moors gebruik. We nemen geen kijkje binnen (daar hebben we geen tijd voor én je moet een kleine donatie doen en dat is weer tegenstrijdig met de slogan 'free tour'.) De gids verteld ons dat de tora aan het einde van de middenbeuk (wat ook weer een christelijke kerk indeling is) staat in plaats van in het midden. De mannen en vrouwen komen samen via de hoofdingang binnen, wat tegen het gebruiken van het orthodoxe Jiddisch is. Gescheiden zitten, doen ze wel aan maar dan in de verschillende schepen en niet op verschillende etages. De synagoge is in 'maar' 5 jaar gebouwd. In vergelijking met de bekende St. Stefanus kerk: 45 jaar, is dat natuurlijk een schijntje. Er is een soort drie-deling ontstaan in het joodse geloof in Budapest. De orthodoxe stroming, de gematigde en de hervormde. Deze laatste maken gebruik van deze synagoge. Dat deze synagoge de oorlog heelhuids heeft overleefd, is te danken aan het leger die hier hun zendmasten op de torens konden zetten en er hun hoofdkwartier van maakte. Naast het gebouw is in dezelfde stijl een museum met nagedachtenis aan de tweede Wereldoorlog gevestigd. In de museumtuin, liggen naast de verschillende perkjes, grafstenen ter nagedachtenis van de uit de getto weggevoerde en geëxecuteerde joden tussen maart '44 en januari '45.  De tuin is een massagraf en ook tegen 'officieel' joods gebruik is er dus een begraafplaats 'bij' de kerk in plaats van buiten de stad. Een stukje verder staat er een stalen kunstwerk, het holocaust monument voor de 600.000 Hongaarse joden, wat een treurwilg voorsteld. Omgekeerd lijkt het een chanoekia (heilige kandelaar). Op de blaadjes zijn en worden nog steeds, de namen van de slachtoffers gegraveerd.

In de verdere 2,5 uur van de wandeling krijgen we informatie over de Zweed Raoul Wallenberg die 7000 joodse levens heeft gespaard door hun registratie formulieren te vervalsen, waar de getto muur heeft gestaan en waar ze 'per ongeluk' een aantal jaar geleden het laatste stukje hebben gesloopt. Deze is echter opnieuw opgebouwd met hetzelfde materiaal. We krijgen uitleg over de gebouwen, nemen een kijkje op een binnenplein waar niets is verandert sinds '45, afgezonderd van de elektriciteit buizen die niet weg zijn gestuukt. We lopen langs de andere twee synagoge die zo onopvallend zijn, dat je er zonder begeleiding zo voorbij zou lopen. Alleen als je naar boven zou kijken, zou je de tora bogen herkennen.

De tour is ten einde rond vijf uur en richting mijn wandeling naar het hostel, scoor ik tussendoor een falafel in een pita. Als ik mijn afhaalbroodje aan de stamtafel in het hostel in stukjes probeer te snijden, komt er een beschonken oudere Belg bij me aan tafel zitten. Hij is met een vriend op reis en die zit nog ergens in de kroeg. Hij heeft een praat partner nodig en ik ben daarvoor uitgekozen. Als de vriend er later ook bij komt, valt mij het verschil op tussen het Nederlandse taalgebruik van de twee. De eerst die bij een gewapende aanval door 3 bivakmutsen is overvallen en door zijn buik is geschoten, waardoor hij afgekeurd is en nu kan reizen wanneer hij maar wil, is 'slecht' in zijn Hollands. De ander, die weken lang gegijzeld is geweest in Senegal en als onverschrokken toerist daar is ontsnapt, door een Franstalige vrouw in de taxi is gestopt en daarna bij een bisdom ondergedoken is, spreek perfect Nederlands. (Als je alles mag geloven) Mijn kamergenootje, een dame uit Normandië die al jaren in London woont (en enorme stinkvoeten heeft, maar heel erg aardig is) komt ook aan tafel zitten. De conversatie gaat in het Hollands, Frans (wat ik er nog van kan begrijpen) en het Engels. Als een moeder en zoon uit Buenos Aires aan tafel komen zitten, blijkt iedereen ook nog een keer Spaans te spreken. Bijzonder leuk. Zie je toch maar weer hoe makkelijk het is als je een beetje je talen spreekt. De conversatie gaat dan ook door tot middernacht.

Boedapest, 9 november

Centrum | Communistische tour

Ik strijk neer bij het bekende Starbucks bij het Deák station om daar een winterversie van de latte machiatto te proeven. In een hoekje van de grote Chesterfield trek ik me terug om samen met mijn eerlijk gevonden Capitool reisgids en mijn iPad een aantal hersenspinsels op 'papier' te zetten. Na te zijn opgewarmd op deze vele malen frissere dag dan gisteren, zet ik de pas erin om de stadstour van gisteren nog een keer in mijn eentje te lopen. Zo'n gegidst verhaal is heel interessant maar soms gaat het te snel. Ik neem deze morgen en begin van de middag dan ook mijn gemak om foto's te maken bij de St. Stefan kerk, wandel langs de Donau en slenter door wat straatjes met grote hotels en mooie zaken. Voordat ik bij de tour van de middag zal aanhangen, drink ik nog een Illy koffie (nu Italiaans maar van origine Hongaars) in het Patmos book & café, wat super hip ingericht is met een strakke witte vloer met enkele donkerblauwe vlakken. Drie ronde boekenkasten staan tegen de wand waar je een boek uit kan pakken, lezen en kopen. De kleine vitrine staat weer vol met heerlijkheden maar ik ben sterk en hou me in om geen Hongaarse zoetigheid te proeven. (Al voel ik mezelf bijna wel een beetje verplicht om dat te doen)

Een aantal van dezelfde snoetjes van gisteren staan samen met mij weer te trappelen voor wat informatie in een nieuwe 'Free walking tour'. De gids dame Anne spreekt rustig en duidelijk en heeft veel kennis met ons te delen over het communisme. Samen met haar collega Aron, geven ze wat persoonlijke anekdotes over hun tijd in het communisme. Het is dan ook maar 23 jaar geleden dat de republiek democratisch is geworden. Wat ik in het bijzonder kan waarderen, is dat er ook pro's over het communisme worden verteld. Aron zijn familie was arm maar toch kon zijn vader naar de universiteit. Gezondheidzorg; gratis (ja, dat is wat anders dan Marx Rutte zijn (oude) plan..). Iedereen had een inkomen, voor veel mensen was wonen in de stad (met warm stromend water en verwarming) een mogelijkheid geworden, al was het dan wel met de hele familie op 50 vierkante meter. Reizen binnen communistische landen was voor de Hongaren ook toegestaan, mits ze naast hun standaard rode paspoort ook een blauwe konden verkrijgen. Reisjes naar Cuba en Vietnam waren heel goedkoop.. Dat er meer nadelen dan voordelen aan deze sociologie kleefde, weet natuurlijk iedereen. Intellectuelen werden naar het platteland gestuurd om daar groenten te verbouwen. Er werden veel mensen ingehuurd om als spion voor de geheime dienst te werken. Dit kon familie, een collega, de pater of (biecht) priester maar ook vriend of vriendin zijn. Als je negatief over de politiek sprak werd je opgepakt en in het ergste geval meteen geëxecuteerd of naar een Goelag, een strafkamp in Siberië gebracht en dat overleefde er niet zoveel. Keukens in huizen waren express heel klein zodat er geen feestjes of samenscholingen konden worden gehouden. Hierdoor zouden mensen in een privé situatie makkelijker durven te spreken over de negatieve aspecten van het regime. Bij het bezitten van Amerikaanse dollars stonden hoge straffen. Als ze vrijwillig werden ingeleverd, dan kreeg je hier 'dollar coupons' voor, die je vervolgens in de 'dollarshop' weer kon uitgeven aan luxe artikelen. Hongarije was het enige oostblokland waar met de gedachtegang 'als de mensen gelukkig zijn, zeuren ze minder' werd gewerkt. In 1956 ontstond er toch een grote opstand. 50.000 mensen kwamen samen, om te protesteren tegen het systeem. In eerste instantie verliep dit heel vreedzaam en stond de huidige leider, Imre Nagy, ook open voor verandering. Totdat een aantal dagen lager het Russische leger met tanks de stad kwam inrijden, het vuur opende en een onbekend aantal (geschat tussen de 5000 en 6000 mensen) mensen doodschoot. Nadat de gevluchte mensen terugkeerde op de plek, bleken de lijken al te zijn geruimd en in een massagraf, met het gezicht naar beneden, te zijn gedumpt. De leider Imre Nagy werd gearresteerd en geëxecuteerd samen met 350 van de 13.000 (!) gearresteerde opstandelingen. We houden stil bij zijn standbeeld: in brons staat hij afgebeeld op een brug, wat symboliseert dat hij is overgelopen naar de opstandelingen/zijn volk, zijn blik is gericht op het parlement. De brugdelen zijn gemaakt van tank platen.

Door de teugels daarna verder te laten vieren, door leider Kádár en mensen (gecensureerde) tv en muziekzenders te laten kijken en in de jaren '70 al met jeans te laten lopen, dachten de rooie rakkers dat de inwoners zich wel zouden schikken. In 1989 kwamen er besprekingen die ervoor zorgde dat per 23 oktober hetzelfde jaar de 'volksrepubliek' in 'republiek' veranderde. De communstische tijd was voorbij. Als we inmiddels door het donker in de stad lopen, worden we gewezen op oude gebouwen die niet of nauwelijks de afgelopen jaren zijn opgeknapt. Omdat na het communistisch regime veel bewoners eigenaar zijn geworden van hun appartement of flat en ze geen vereniging van eigenaren hebben, word er niet vaak een beslissing gemaakt of een akkoord bereikt over het opknappen van het exterieur. We zien dan ook nog kogelgaten zitten van de belegering van 1956. Het genereert anderzijds wel inkomen die verwaarlozing. (Voor de stad dan, niet voor de bewoners) Onlangs is namelijk het vijfde deel van 'Die Hard' film met Bruce Willis opgenomen in de stad. Omdat delen van de stad een 'autenthieke' uitstraling hebben als jaren '40 '50 '60 en oorlogsgebied, maken Hollywood studio's graag gebruik van het reële decor. Deze film lijkt zich in Moskou af te spelen er is dus geen credit voor Boedapest. (Straatnamen zijn voor de opnames verandert in bordjes met cyrillisch schrift).

Een ander punt waar we op gewezen worden zijn de grote stalen constructies die over 6 meter brede putten liggen. Dit zijn de zogenaamde schuilkelders, aangelegd rond de koude oorlog. Onlangs is uitgekomen dat er een compleet gangenstelsel onder de stad loopt. Via verschillende regeringsgebouwen en het parlement lopen geheime gangen naar de atoomkelders. Er is voor ongeveer 10.000 'gewone' burgers toegang via de rode metrolijn. Handig om te weten als toerist waar je toe te wenden bij een paddestoel ontploffing in of bij de stad.

Als afsluiting krijgen we nog een kleine presentatie in een 'ruïne café'. Dit zijn legale cafés in verlaten, verwaarloosde gebouwen die mogen worden gebruikt om leegstand tegen te gaan. Vaak zijn de muren niet afgewerkt, de vloer bestaat uit verschillende delen en de planten groeien binnen maar juist daardoor lijken het een soort van 'kunst' cafés. Er word heel creatief met de grote ruimte omgegaan. En zo klinkt het niet maar zo is het wel, de zaken zijn gewoon schoon: nette bar, normale toiletten. Geen vieze lucht en je mag niet roken binnen. (EU) De tour is later dan gepland tot een einde gekomen. Samen met de fooi geef ik het duo mijn complimenten want zo'n verhelderend verhaal over communisme heb ik nog nooit gehoord.

Ik ga dichter bij huis op zoek naar een hapje avond eten. Ik kom aan bij de Hummus Bar Budapest ('Hummus is sexy') in het joden district, met een restaurant prijs voor best 'exotische betaalbaar eten'. Voor € 4,55 zit ik dan ook in een leuke ambiance krijg een 3-gangen menu met groentensoep met couscous, een pita met falafel, baklava om mijn suikerkies te vullen en een glas limonade erbij. Prima voor de budget traveler dacht ik zo.

Met een Noorse rasta vader en zoon uit het hostel, die er als een stel verwilderde Vikingen uit zien, ga ik in de avond bij de onderburenbar nog een pulletje bier drinken. Ze zijn zoals ze zelf zeggen, een mengeling van Scandinavische roma en de originele bewoners van Noorwegen die overwegend ook nomaden waren. Ze reizen met hun auto, via een omweg, naar Spanje en in de tussentijd verdient pa geld met het maken van middeleeuwse relikwieën voor dezelfde genoemde feesten. Zoonlief is een zilversmid en maakt een soort Keltische sieraden. Een leuk gezelschap. De onderwerpen gaan van het maken van hasj (altijd interessant om te weten) tot het meenemen van je 12-jarige zoon naar een Metallica concert, zwemmen bij min 10, het maken van de ultieme chocolade melk uit pure grondstoffen en het bouwen van het ultieme ecologische huis met stro en modder voor 3000 euro.

Boedapest, 10 november

Andrássy út (Unesco) | Heldenplein | Vajdahunyad kasteel | Városliget stadspark | Széchenyibad | Parlement

Vandaag staat een wandeling over de 'Champs Elysees' van Hongarije op het programma. Hier de Andrássy utca (utca = straat) genoemd. Ik loop op het gemak de schoongeveegde straat over waar de Gucci, Yves Saint Laurent en Burberry aan gevestigd zijn. Verschillende gebouwen staan in de steigers om gerenoveerd te worden. Wat nog voor veel gebouwen op de lijst staat sinds de tweede wereld oorlog (of 1956). Het communisme was daar namelijk niet echt happig op; de opgeleukte gevels zonder functies in waarde houden.

In een zijstraatje zit het kleine Liszt Ferenc parkje. De bladeren zitten nog aan de bomen en daartussen verscholen, op aards niveau zit de CCC, de California Coffee Club. Vandaag heb ik mijn gezicht als niet-toerist opgezet. Niemand van de 'hop on hop off' bussen wil me een folder geven. Zelfs bij binnenkomst van de CCC word ik met 'Cia' als een lokale aangesproken. (Het alternatief voor hallo en gedag, makkelijk te onthouden, daar je het uitspreekt als 'see ya') Ik ga voor een Télköszonto koffie oftewel een winterkoffie met kastanjes (?). Bij het ophalen ervan, begint de dame in kwestie ook in het Hongaars tegen me. Niet echt een taal die je snel leert met 44 letters in het alfabet. Beter gezegd; het Hongaars word met de taal van Yoda uit Star Wars vergeleken. De volgorde van zinnen maakt niet veel uit, als de belangrijke woorden er maar in zitten. Zo gewend zijn de inwoners aan hun moeilijke taal. 'Ik vind de koffie lekker | lekker de koffie ik vind.'' Ze snappen het allemaal. Maar zo ver ben ik natuurlijk nog lang niet. Daarbij spreken de mensen die ik hier tegenkom als tweede taal allemaal Engels. Een spoedcursus Hongaars is dus lichtelijk overbodig.

De zonnestralen strelen zachtjes de bomen in het park. De architectuur in de stad is een mengeling van oude Griekse en Ionische zuilen met art deco, barok, neo classisme, secession en daar waar de grijs-zwart-rode muizen tussen '45 en '89 aan hebben gezeten, is het strak en minimalistisch in de saaiste zin van het woord. De Andrássy zit echter vol met verrassingen. Grote panden worden afgewisseld met vrijstaande villas. De één is in gebruik genomen door een ambassade, de ander doet dienst als Japans museum, een restaurant-lounge, advocaten kantoor of woonhuis.

Hoe meer ik naar het Heldenplein loop, hoe meer tuin de panden krijgen en dat zie je niet vaak op één van de breedste en bekenste straten van een hoofdstad. Ik loop het huis 'of terror' even voorbij. Dit schijnt nogal een emotioneel museum te zijn waar de folterwerktuigen en martelkamers nog in volle glorie aanwezig zijn. 'Nu nog niet, het is zo'n mooie dag.' Misschien aan het einde van het etmaal als ik er aan toe ben om het menselijk lijden in de meest weerzinwekkende vorm te zien. Op het plein aangekomen, wat naast het Heldenplein ook wel het Millennium plein word genoemd, staat de oorlogsgod 'Ryddwan' als een ballerina op zijn koetsje. De paarden met opgeheven benen en opengesperde monden klaar om de strijd aan te gaan. In een halve cirkel erachter staan er wat heiligen in gewaden. Hier gaat de toerist ook graag op de foto. Met zichzelf uiteraard. Ik snap dat niet hoor. 'Is het voor die mensen nou alleen een reminder dat ze er zijn geweest, o'ja mijn hoofd staat op de foto op het Heldenplein, ja dat maakt dat ik er wel ben geweest....' of zijn we allen zo ongelofelijk masochistisch geworden dat de foto alleen nog maar leuk als we er zelf op staan? Ik verlies mijn geduld om foto's te maken 'zonder mensen erop' en wandel het park in. Hoofdschuddend als een paar van die kansloze persé de voetstukken van de beelden moeten beklimmen om door andere er vervolgens weer een foto van te laten maken. 'Kijk ik was er echt, ja echt, kijk maar, nu sta ik op het voetstuk bij het beeld'. Zo jammer. 
Ik hoop niet dat iemand me nu gaat vragen of ik een foto van hun wil maken want mijn antwoord zou een resoluut 'nee!' zijn.

Over de brug die langs een ondiep water leid, kom ik aan bij een iets diepere slotgracht. De omstaande bomen hebben nog de helft van hun gouden bladeren tooi. De afgewaaide exemplaren liggen in het water. Ik kom zowaar aan bij een heus kasteel. Met de Capitool gids onder mijn arm geklemd, treed ik nader en ga op onderzoek uit. Hoe schattig en minutieus die kaartjes in het boek ook zijn uitgewerkt, dit had ik er niet uitgehaald. Het kasteel is schitterend en doemt verder op als ik over de ophaalbrug zweef. Ik voel me als een kind in een snoepwinkel. De kleuren, de architectuur, dit is helemaal mijn ding. Het is zo fotogeniek. De oud blauwe kalkverf omarmt de smeedijzeren raamkozijnen die op hun beurt weer glas in lood vasthouden. Een klimop met het mooiste herfstpalet aan kleuren krinkelt op de muur omhoog. Een opgeschoten groep jongeren komt lallend cq melig voorbij gemarcheerd maar dat doet verder niets af aan de romantiek die hier heerst.

Ik hou stil bij het Jákkappeletje en daar is zoals de naam eigenlijk doet vermoeden, niets 'jak' aan. Beeldig! Het is een re-productie van een Benedictijnse kapel uit 1214, die in de buurt van de Oostenrijkse grens staat. Het portaal heeft aan de bovenzijde van de steeds groter wordende bogen, een kleine kapelletjes voor de heilige staan. Deze hebben de beeldenstorm dus wél overleeft. (Of niet en zijn teruggezet) Helemaal blij van dit geheel, loop ik ook nog prompt tegen het bekendste standbeeld van Budapest aan; het beeld van Anonymus. Het is een imponerend zittend beeld van een man in een lang gewaad met zijn capuchon tot over zijn oren getrokken. In zijn linkerhand een pen en in de rechter een aantekeningen boek. Hij hangt achterover geleund met zijn blik op de grond. Dit is kunst; iets wat tijdloos is. Het is in 1903 gemaakt door Miklós Ligeti.

Nog steeds verrukkend over de omgeving met grachtjes, bruggetjes, park en mooie oude gebouwen, laat ik het Gotische en Renaissance Vajdahunyad kasteel achter me en ga een kijkje nemen bij de vijver, verderop. Pluimen stoom komen tussen de dobberende eendjes vandaan. Dit gedeelte van de stad, Pest, staat op verschillende warm water bronnen en dat is hier goed te zien. Door de vele oorlogen met de Turken die invasie na invasie in Hongarije deden, zijn er stoombaden boven deze heet water bronnen gevestigd. Dankzij de Turken die hier dus 'Turkse baden' plaatste, is er tot op de dag van vandaag, nog steeds een overvloed aan natuurlijke spa's in de stad. De grootste is hier in het Városliget park en heet het Széchenyi badcomplex. Het geheel tussen 1909 en 1913 gebouwd is op een in 1879 gevonden bron gezet. Met een enorm buitenbad ziet dit er wel heel aantrekkelijk uit. Vandaag kom ik niet verder dan het loket om de prijzen te inspecteren en het raam om binnen in het complex te loeren. Dit word zeker de Spa waar ik vóór ik huiswaarts keer, gebruik van ga maken. Pure verwennerij.

Op de terug weg over de Andrássy maak ik nog een foto stop bij het al even imposante operagebouw. Ik zie een openstaande deurtje en sneak naar binnen. De opera's die worden gegeven staan keurig op een groot spandoek en de prijzen er keurig gerangschikt achter. Zondag, morgen dus, de opera van Figaro van Mozart.. Prijs? Meer dan acceptabel. Zo loop ik nog geen 3 minuten later met een kaartje de deur uit. Ben in mijn leven nog nooit naar een opera geweest en als ik dat kattegejank op televisie hoor, zap ik altijd meteen weg. Maar eens moet de eerste keer zijn en morgen word dus mijn vuurdoop. Al is het alleen maar om het interieur te zien en de kroonluchter van 1300 kg die aan het plafond schijnt te hangen. Blij als een klein kind, dat eindelijk een wijze, lees volwassen, beslissing heeft genomen sluit ik de dag af met een wandeling naar het parlement. Helaas is een grootschalige renovatie aan de gang en grote groene steigerdoeken behouden de kijkers voor een blik in de keuken. Een tour binnen het gebouw word aangeboden maar daar bedank ik vandaag voor. Een mooie wandeling langs de Donau is iets wat hoger op mijn lijstje staat.

Boedapest, 11 november

Staatsopera 'Figaro'

Om half elf meld ik me bij hét staatsopera van Hongarije om een heuse opera van W. A. Mozart bij te wonen; Figaro. Het prachtige gebouw aan de Andrássy gelegen, is in 1884 gebouwd en in de tijd bedoeld om mee te gaan met de opera huizen in Parijs en Wenen. Voor zeven euro (!) (ja, ik weet het, het klinkt belachelijk dus je zal wel een echte 'cultuur barbaar' zijn om dit aan je voorbij te laten gaan..) zit ik op hét koninklijke balkon recht voor de bühne.  Het eerste stuk heeft 2 aktes. Na het eerste hoofdstuk vertrekken al twee mensen. De zes stoelen die in twee rijen richting het toneel staan, staan los en ik heb dan ook mijn stoel zo gesitueerde dat ik net alles kan zien en dat houd niet het achterhoofd van de Japanse toeriste in. Achterin 'ons' kleine kamertje, staat ook nog een kleine chaise longue op hoge pootjes. De laatste gast die het vertrek is binnengetreden mag daarop plaats nemen maar hij kan zijn draai niet vinden, letterlijk niet. Het bankje en onderstel kraakt en piept bij elke andere houding die hij aan neemt. Ik zwier nog net niet met snelheid met haar opzij om hem met een boze blik erop te wijzen dat je bij zo'n optreden muisstil moet zijn, maar onder de omstandigheden doe ik het best goed, denk ik. Dat laatste blijkt als tijdens en na de pauze iedereen op miraculeuze wijze verdwenen is, waardoor ik prinses heerlijk in mijn eentje in de skybox zit. Ik vind het gewoon een beetje gênant. Zelfs ik vind dit kattgejank (wat geen kattegejank is maar zang tot een normale decibel wat perfect begeleid word met de zachte noten van het orkest) perfect klinken en vind het dan voor de spelers en medewerkers een belediging om zo maar weg te lopen. Bij de deur hangt ook een briefje tot hoe lang het duurt. De mensen konden dus niet denken dat het om half 1 afgelopen was.

Om kwart voor drie, na welgeteld 6,27 minuten in mijn handen geklapt te hebben en ik ze persoonlijk een staande ovatie heb gegeven, mag ik de buitenlucht weer in. De opera is (natuurlijk) in het Italiaans. Weer reuze blij met mijn opgedane Spaanse taal, heb ik het een en ander kunnen begrijpen. De boventiteling die erbij was, werd in het Hongaars gegeven, daar kon ik dus weinig van maken. Bij de CCC tegenover de St. Stefan kathedraal, ga ik een 'zwarte bos' koffie halen. Mumford & Sons klinkt op de achtergrond en ik ben helemaal weer in mijn element. Via het draadloze netwerk wat hier ook overal word aangeboden, snuffel ik internet af op het juiste verhaal van Figaro. Na twee varianten gelezen te hebben en ik in gedachten de namen bij de karakters op het toneel heb gevoegd, vallen alle puzzelstukjes op hun plaats en kan ik met een gerust hart zeggen dat ik Figaro heb gezien en heb begrepen.

Na een avondbezoek te hebben gebracht aan een andere Humusbar in de stad, vertrek ik naar de Aquarium club. Vanavond hebben ze een lounge avond en wat is lekkerder om bij een strak interieur een lekker drankje te doen en naar goede muziek te luisteren. De club is open als ik binnen kom. Bij de naam 'lounge club' ben ik waarschijnlijk verwend geraakt met de wat hippere clubs in de wereld want dit is geen lounge club en heeft zeker geen lounge sfeer. Op een saaie betonnen vloer liggen wat zitzakken met wat studenten die aan pullen bier zitten liggen te lurken. De muziek is zo zo, en het plafond wat dus de weerspiegeling van het bovenliggende water moet weerkaatsen, is gewoon èèn groot zwart geheel. Jammer, maar dit word hem niet.

Een beetje teleurgesteld stap ik niet veel later de Spar supermarkt in, daal af naar de kelder en haal een écht Hongaars rosé wijntje uit de schappen. Hongarije heeft een ongelofelijke rijke wijn cultuur. Daar moeten we dus maar gebruik van maken. Gelukkig zijn daar Noorse Viking vader en zoon in het hostel, die met mij maar al te graag de fles leeg willen drinken. Aan het gezelschap is ook een jongen uit Israël toegevoegd. Blijven toch rare jongens die Israëliërs...

Boedapest, 12 november

Margerit eiland of Margitsziget (Unesco)

Samen met de jongste van het Viking gezelschap ga ik richting het Margrit eiland in de Donau. Een eiland wat met grote bruggen voor auto's en trams is verbonden met het vasteland van zowel Buda als Pest. Vader is op tandarts afspraak maar we hebben verschillende manieren gevonden om hem te verwittigen van onze geplande bezichtiging. Als Hongarije in Europa ergens bekent om staat, is het wel de goede en goedkope tandarts praktijken. Is de gezondheidszorg ook heel goed maar moet daar naast de verzekering ook een bedrag onder de tafel voor worden betaald, zo goed gereguleerd is de tandzorg.

We dalen de über steile metro 'tube' in, a'la Londen stijl, voor een snelle rit naar de overkant. In Buda stappen we uit en via de Margit hid of Margaretha brug stappen we halverwege uit op het zuidelijke punt van het eiland. Wederom met mijn Capitool boekje onder mijn arm, wijs ik Emmend de bijzonderheden en de weg. Hij is in het bijzonder geïnteresseerd in ruïnes, oude gebouwen en kerken (als het maar terug te leiden is naar oude veldtochten, strijdende ridders en noord Europese volkeren). Het weer is somber vandaag waardoor we continu in de motregen lopen. We komen al snel aan bij de Margit-Szigeti watertoren. Een toren die mede op de Boedapest Unesco lijst staat. Het complex erom heen word in de zomer veelvuldig gebruikt voor concerten en festivals. Op het moment is alles dicht en ligt het er verlaten bij. Een aantal zwervers houden zich in de koude nachten waarschijnlijk op in de half ronde stenen koepels die net dat beetje koude wind tegenhouden. Aan de achterzijde lopen we een soort beeldentuin in. Helaas heb ik te weinig kennis van de Hongaarse geschiedenis en cultuur om bekende namen en de daarbij behorende borstbeelden te herkennen.

Een grote ruïne van een kerk en klooster ligt voor ons uitgestrekt. Het Domincaessenklooster is het klooster geweest waar Margit, waarnaar het eiland is vernoemd, heeft gewoond. Haar vader Béla IV, die koning was in de tijd, zou hebben beloofd zijn dochter te offeren aan god als hij zijn overwinning op de Tataren of Turken (de lectuur heeft 2 versies) had binnengehaald. Zo geschiedde. Marit werd niet barbaars op een offerblok gelegd of naar de top van een berg gebracht met een mes op haar keel, maar braaf naar een klooster gebracht. Het klooster werd speciaal voor haar gebouwd. Heden ten dage is daar nog weinig van over. De vloeren zijn nog aanwezig en de meeste muren tot uiterlijk een halve meter hoog. Haar graf wat zich onder de kerkvloer begaf is nog steeds aanwezig en word tot op de dag van vandaag voorzien van bloemen en kaarsjes. Dat is toch een behoorlijke tijd, aangezien ze in de 13de eeuw is gestorven. Hoe de kerk en klooster zo in verval zijn geraakt word me helaas niet helemaal duidelijk. We wandelen langs de St. Michaelskerk, verder naar het bijna noordelijkste puntje van het eiland. Er zijn twee verschillende hotels annex kuuroorden te vinden op het eiland maar daar lopen we aan voorbij. Waar de interesse naar uit gaat, zijn de Japanse tuinen.

Daar aangekomen blijkt dat ook de herfst een prima jaargetijde is om daar eens te gaan kijken. De Japanse esdoorn staat geweldig mooi als gigantische bonzai boom een imitatie weg te geven van een parasol met de mooiste kleuren rood. Een kleine zeemeermin zit versteend in een kleine vijver vol met riet en twee eenden stelletjes. Een brugje hier, een overstapje daar. Bloemen die nog in bloei staan, genetisch gemanipuleerd reuze goudvissen en de beste tuinarchitectuur die je maar kan vinden. Als we ons ten zuiden van het eiland willen melden om klokslag één uur, zoals we op het briefje aan Emmend zijn vader hebben geschreven, moeten we nu gaan lopen. Al voordat we nog maar zicht hebben op de entree horen we iemand die fluit. Emmend fluit terug en over en weer word er gecommuniceerd. In de verte zie ik de grote, brede gedreadlockte vader aan komen en ik zwaai enthousiast. Ze roken even een sigaretje op een bankje. Ik bedank voor de eer.

Een stelletje komt aangelopen en vragen in het Engels of ze vloei hebben. 'Voor een joint of voor een sigaret?', vraagt Emmend. 'Voor een joint', antwoord het meisje. Ze komen uit Australië en doen een Europese tour. 'Wat moet het voor hun interessant zijn om in de 'oude' wereld al die historische gebouwen te zien. Australië is een 'nieuwe wereld' en niets van de koloniale nederzettingen is ouder dan 300 jaar', bedenk ik me. Ze vinden het fantastische hier en zijn ook heel erg te spreken over de vriendelijkheid in Roemenië en Bulgarije. Iets waar de gemiddelde west Europeaan zich waarschijnlijk anders over uitlaat. Ze draaien de joint niet geheel geroutineerd en vermelden erbij dat ze net twee gasten uit Uruguay tegen kwamen die vanavond een vliegtuig moesten halen. De wiet kon niet mee, dus beter weggeven aan geïnteresseerde.

We blijven bijna een uur kletsen in de regen en zie tot mijn vreugde een 'squirly' wat ik dan ook met grote enthousiaste kreten uitblaat. Een 'squirly' in mijn taal is een eekhoorn. Het zullen oud communistische eekhoorns zijn, want ze zijn rood van kleur. De vader van Emmend heeft nog niets gezien van het eiland. We besluiten met z'n drieën nogmaals een rondje op het eiland te gaan lopen. Als de regen inmiddels van mot naar grote regendruppels is veranderd, pak ik georganiseerd als ik ben toch maar mijn paraplu uit mijn tas. Ik ben daardoor een watje, volgens de mannen maar zij hebben niet zoals ik laarzen die lek  en compleet veranderd van kleur zijn omdat het water inmiddels mijn sokken heeft bereikt. Natte voeten tot daar aan toe maar helemaal natregenen; daar heb ik geen zin in.

Als we in de tram stappen is het druk, nat en komen de dampen van de jassen af. Zoon en ik krijgen een vooraf gekocht tramkaartje in onze handen gedrukt. 'Alleen afstempelen als de controleur in zicht is,' meld de vader ons. 'Soms ben ik zo blij dat ik niet de enige sloeber ben en me niet hoef te schamen over de zuinigheid die ik in me kan hebben.' We staan gedrieënd rondom de afstempelautomaat om meteen te kunnen handelen als we iemand zien die met zijn outfit en uitstraling voor een conducteur kan doorgaan. We hebben geen idee waar precies uit te stappen maar gelukkig is daar die sport Billie tas weer waar ik alles in bewaar, inclusief een stratenplan. We stappen recht tegenover een Starbucks uit zonder de kaartjes te hebben afgestempeld. Scheelt bij elkaar bijna toch weer zo'n drie euro. Mijn verlangen naar een koffie wat me heel de dag als een schaduw heeft bijgehouden word versterkt door de bekende grote groene letters. 'Je wilde toch nog een koffie?' Vraagt Emmend. Ik weet het niet hoor. Mijn gepinde geld is bijna op en het blijft toch altijd een sport om uit te komen met het geld wat ik heb gebudgetteerd. (Ik zou compleet buiten de boot vallen, als ik bij het rijk zou werken). 'Wij betalen' zegt vader. Ja, dat hoeft nou ook weer niet. Daar voel ik me dan meteen weer schuldig over als iemand dat perse wil. 'Maar, zegt Emmend; je hebt ook mijn metrokaartje betaald en je hele lunch met mij gedeeld, dus laten we deze koffie voor jou betalen.' 'Ok' zeg ik en we stappen de warme met aromatische geuren gevulde Starbucks in. We kletsen weer over allerlei vage onderwerpen. De gesprekken gaan verder als ik ze voor het avondeten meeneem naar mijn inmiddels favo HumusBar in de Joodse buurt. Ook zij vinden het een hele goede deal, die paar euro's voor een 3-gangen diner.

Boedapest, 13 november

Széchenyi bad & Spa

Het is mijn ena laatste dag in deze fantastische stad Boedapest. Ik heb helaas geen tijd meer om naar de grote overdekte markthal te gaan die uit de pen van architect Eiffel kwam. Geen tijd om de trein te nemen naar de grootste plas van centraal Europa; het Balatonmeer. Nog zoveel te doen maar zo weinig tijd. Wat vanaf het begin af aan op mijn lijstje heeft gestaan en wat ik zéker gedaan moest hebben als ik in deze hoofdstad zou zijn, is gebruik maken van de natuurlijke heet water bronnen. Nu ben ik geen fan van extreme hitte (of kou) en een sauna?, daar moet je me echt naar toe slepen. Maar een warmwaterbad, dat klinkt wel heel aanlokkelijk. Met wat lees,- en pluiswerk is mijn definitieve keuze toch gevallen op de grote Spa in het stadspark. Daar van de de week al een kijkje genomen te hebben, weet ik dat ik hier wel even door kan brengen.

Een bikini en een sneldrogende handdoek gaan in mijn rugzakje en ik wandel de deur uit. In het dichtstbijzijnde metrostation daal ik de trap af en haal ik van mijn weinige overgebleven geld nog snel een zoet broodje en een klein stokbroodje. Een lunch bij een Spa kost me waarschijnlijk net teveel om nog anderhalve dag van rond te komen. Ik kan meteen van de mogelijkheid gebruik maken om met de metro naar het park te gaan. Dan ben ik er binnen tien minuten. Dat staat tegenover 40 minuten lopen. De afweging om te betalen voor geen uitzicht of gratis en bijna een uur lopen mét uitzicht, doet me toch  kiezen voor een ruim blikveld. Ik heb geen haast. Dat hoeft ook niet en dat kan ook niet aangezien ik de afgelopen dagen enorme last van mijn linkerknie heb gehad. Het gaat een stuk beter. Ik kan al bijna weer een recht been neer zetten en in de nacht kan ik met drie pijnstillers weer prima van zij wisselen. De vraag 'hoe kom ik eraan?' vraag ik mezelf liever niet. De vraag 'hoe kom ik er vanaf?' houd me meer bezig. In mijn positiviteit denk ik dat een paar uur dobberen in warme temperaturen een genezende werking kan hebben op de spieren in mijn knie. Ik denk namelijk dat het een spier is, aangezien de pijn minder is als ik ben 'warm' gelopen.

Bij het oversteken van het Heldenplein komt net een delegatie landmacht personeel aangemarcheerd. Mannen in pak is altijd een zwak, ik blijf dus braaf op een hoek staan kijken en laat de camera zijn werk doen. Met de Spa in mijn gezichtsveld snoep ik al mijn zoete broodje op. Als ik gerimpeld maar tien jaar jonger jonger het bad uitstap zal ik ook wel trek hebben en kan ik mijn lekkere multi-granen stokbroodje opsmikkelen. In tegenovergestelde richting komt een klein gebogen mannetje met verdragen kleding aan. Hij spiekt en graaft even in de prullenbak en loopt weer verder. 'Shit, daar gaat mijn brood.' Ik bedenk me dat ik nog steeds in een luxe positie ben. Ik heb geen cash geld meer voor de Spa maar die kan ik met mijn pinpas afrekenen. Met een broodje achter de kiezen heb ik toch geen honger of trek. Kortom, wie ben ik om mijn eten niet aan een ander te geven, iemand die het harder nodig heeft dan ik? Ik haal het stokbroodje dat nog keurig in het papier zit gewikkeld uit mijn tas en geef het aan de man. Hij is niet overdadig blij. Hij geeft een flauw knikje en loopt verder. De volgende prullenbak slaat hij over. 

De entree is mooi. Overdadig maar toch nog enigszins beschaafd. Een goud randje hier en daar. Een Neptunus en Griekse schone met een waterkan op haar schouder mag hier niet ontbreken. Ik betaal de entreeprijs. Slippers, grote warme pluizige handdoeken en ruime zachte badjassen zijn te huur maar ik heb mijn plastic slippers en mijn kleine sneldrogende handdoek meegenomen dus ik ga met mijn magnetische sleutel door de poortjes. Ik voel me weer het kleine dikkertje bij gym. Met enige schaamte omdat ik nu een groot dikkertje ben, vervloek ik mijn eetlust en kom de kleedkamer uit. Natuurlijk staat die mini bikini in de spiegel helemaal niet zo sexy zoals ik in gedachten had. Ja, mijn buik bergt de nodige vetlagen maar het hangt niet. Ik heb geen baby gebaard dus alles is zonder striemen of littekens maar waarom? Maar waarom heb ik niet gewoon een groot zwart zwempak in mijn tas gedaan. 'Omdat je dan helemaal op een aangespoelde walvis lijkt' zeg ik tegen mezelf. Met lichte zenuwen, en ik zeg eerlijk; ik zou niet weten voor wie want ik ken hier helemaal niemand! loop ik de trap op richting de deuren naar het openlucht bad. Mijn handdoekje heb ik om me heen geslagen. Dat past nog net.. Het is buiten zo'n 8 graden maar koud heb ik het niet, de schaamte geeft me warmte.  In mijn hoofd zou ik mezelf het liefst met handdoek en al in het water laten zakken maar ik probeer zo zelfverzekerd mogelijk mijn handdoek over een bankje te draperen en plaats mijn slippers ernaast. 'Nee, ik ken hier niemand hoor, ... alleen die Argentijnse jongen met zijn Spaanse vriendin die vooraan zitten en me meteen met hun enthousiast gezwaai welkom heten...' Diego en Silvia, hij uit Buenos Aires en zij uit Madrid, verblijven ook in het Astoria. Ik neem bij hen plaats en ga tot mijn borst in het water zitten.

Het water is zo'n 37 graden, douche temperatuur, heerlijk. We kletsen in het Spanglish. Al heb ik dan een 'complex' omtrent mijn lijf, Spaans spreken na 4 dagen les, zoals ik het doe; doe ik best redelijk. We lachen hard om het feit dat de Noorse viking met dreads, Emmend zijn vader, gisteren de deur van het hostel open deed. Ik zat in de woonkamer en hoorde het gesprek maar reageerde er niet op. De deurbel ging. Diego en Silvia stonden voor de deur en wilde naar binnen. Emmend zijn vader:'Nee, het hostel is hier niet meer, het is verkocht. Ik woon hier nu, dus je kunt niet binnen komen.' Diego en Silvia met stomheid geslagen. Diego roept: 'Mijn paspoort, mijn paspoort ligt hier nog.' 'Nee hoor, ze hebben alles meegenomen.' De deur werd gesloten. Na enkele momenten doet hij weer open met een grote glimlach. Diego en Silvia in het begin nog huiverig en een beetje verward maar nu is het de grootste grap die ze in tijden hebben meegemaakt. We kletsen over van alles, dobberen lekker in het water, hangen onder een waterval, draaien rondjes in een stroomversnelling en krijgen voetmassage van de ingebouwde jets op de bodem.

Na 3,5 uur vind ik het leuk geweest en schraap de moed bij elkaar om bijna ontkleed het water uit te lopen ('ik ben een Bond-girl, ik ben een Bond- girl,' is mijn mantra) om zo snel mogelijk de handdoek om mijn lijf te slaan. Ik kleed me om en vergeet pardoes de dame die bij het magneet poortje staat een fooi te geven. (Waarom eigenlijk? Waarom moet zij fooi ontvangen?) Ik wandel terug over de Andràssy, op weg naar mijn eerste kopje koffie voor vandaag. De zon gaat hier onder rond kwart over vier. Het word meteen een stuk kouder maar mijn lichaam is lekker warm. Het lijkt of er van binnen een brandend kooltje gloeit die al mijn ledematen opwarmt. Bij de CCC ga ik naar binnen voor een (gepinde) nieuwe winterversie cafeïne.

Op weg naar 'huis' schiet ik een kleine supermarkt binnen waar ik een groenteschotel van welgeteld 0,39 cent vind. Teruggekomen in het hostel zitten Emmend en zijn vader met een andere gast te kletsen. Er zijn weer pannenkoeken gebakken. 'Ik heb eten gekocht en als jullie geen plannen hebben, ga ik voor jullie koken.' zeg ik tegen ze. Op de 'free food shelf' vind ik nog voldoende pasta om de groente mee te combineren. De pannenkoeken zijn een leuk dessert. De vader van Emmend haalt nog snel een fles wijn. En zo zitten we dan, arme sloebers, aan een twee gangen diner met wijn, voor bijna niets.

Hongarije - Nederland, 14 november

Diego en Silvia gaan terug naar Spanje en staan bepakt afscheid te nemen van de Noren. Ook ik sta met mijn jas en sjaal klaar om richting mijn transfer te gaan. Ik neem afscheid van iedereen en bedank de medewerker bij de receptie voor het leuke verblijf. Samen met de Spaanstalige loop ik de deur uit en vraag hoe zij naar het vliegveld gaan. Ik heb een transferbusje geboekt die bij een hotel niet ver hier vandaan een stop heeft. Zij willen met het openbaar vervoer. Ik stel aan ze voor, om te vragen of ze ook met het busje mee kunnen, aangezien we rond dezelfde tijd vliegen. We halen nog even wat Hongaarse lekkernijen bij het bakkertje bij de metro, van mijn aller-aller laatste centen, en lopen op het gemak richting de ophaalplaats. De betreffende receptionist kan ons niet informeren of het mogelijk is dat twee extra gasten mee gaan naar het vliegveld. We nemen de proef op de som en besluiten te wachten in de zon op een bankje. Als de chauffeur komt aangereden blijkt het geen probleem te zijn en betalen ze 5 euro per persoon om makkelijk en efficiënt voor het vliegveld te worden afgezet. Op het vliegveld scheiden onze wegen.

Ik ga door een zeer vermoeiende controle waar ik bijna alles uit mijn koffertje moet halen en ik in mijn hempje (!) door het poortje moet. Vervolgens krijg ik ruzie met een bitch van de scanning waarvan ik mijn plastic bakken niet van de lopende band mag halen. 'Ik wil alleen maar plaats maken voor anderen.' Ik moet de bak terug zetten maar dat doe ik niet. Ik vraag of het 'fucking' Amerika is, daar hebben ze als ze in uniform zijn gehesen ook in één keer de gedachte dat ze een nazi zijn en daardoor iedereen kunnen commanderen! En ja, dat is ze. Ze geeft het zelf toe. Ze komt van haar plek om de bak die ik op de grond heb gezet terug te zetten. ..Je zou ze voor minder mishandelen... Beetje jammer dat ik zo'n leuke tijd heb gehad en dacht dat alle Hongaren zò vriendelijk waren maar dat word in één keer door zo'n kenau verpest.

Mijn vlucht heeft uiteindelijk drie kwartier vertraging. Met twee grote bussen worden we over het vliegveld naar het vliegtuig gereden. De weinige Hollanders die ik hoor praten proberen elkaar af te troeven over de taxi prijs van en naar het vliegveld. 'Oh, ik heb 30 euro betaald van het vliegveld naar de stad.' 'Oh maar, dat kan veel goedkoper hoor. Ik heb maar 20 euro betaald.' De Brabanders met de zachte G hebben teveel betaald. (Je kan het ook van te voren regelen en dan betaal je maar 9 euro...voor een retourtje..)

De tickets kennen geen stoelnummers. Ik hoef verder met niemand rekening te houden en zoek het eerste de beste vrije plekje uit. Twee Nederlandse dames komen met veel bravoure binnen. Iemand moet ze echt helpen om de handbagage in de boven gelegen bagagebakken te stoppen. Ze kunnen niet meer naast elkaar zitten. Ik vraag aan de eerste dame of ze naast mij wil zitten. Met veel gepuf en een dubbele nep-bontjas komt ze naast me geploft. Een internationaal mode-fotografe uit de buurt van Amsterdam blijkt het te zijn. Een enig mens. We zitten heel de reis te kletsen. Alsof het vliegtuig maar een half uur onderweg was, stappen we nog prima op tijd Eindhoven airport uit. Ik wens ze succes met het halen van de transferbusje naar Amsterdam. Ik ga op het gemak richting de inmiddels bekende bushalte die me vervolgens naar het centraal station te brengt.

Zo, dat was het dan weer, een weekje Boedapest. Waar ik met veel plezier op terug kijk. Behalve dan naar die trut op Boedapest T2 Airport.